2020 Marcel Poorthuis

Opname van de de Girardlezing. Transcriptie van de tekst van de lezing. De tekst van de respons van Michael Elias.

Op 10 december 2020 werd voor ruim 160 bezoekers de vierde Girardlezing gehouden. Het evenement vond plaats in de vorm van een digitale sessie. Hierin ging de nodige aandacht uit naar de sterk verbeterde verhoudingen tussen Joden en Christenen in de laatste decennia. Dit sprak niet alleen uit de lezing zelf, die gegeven werd door Marcel Poorthuis, hoogleraar interreligieuze dialoog aan de universiteit van Tilburg. Ook in de bijdragen van de respondenten, de rabbijn Menno ten Brink en de girardiaan Michael Elias, christelijk georiënteerd maar met een grote belangstelling voor hebraïca, kwam dit duidelijk naar voren.

De complexiteit van het onderscheid tussen ‘joden’ en ‘christenen’, zoals dat in de eerste eeuwen van onze jaartelling is ontstaan, staat in onze tijd onder grote aandacht van filosofen en theologen. Men heeft er lang over gedaan om helder in beeld te krijgen dat over Jezus, maar ook over Paulus, gedacht moet worden als mensen die jood waren, als mensen die zich binnen de joodse traditie bewogen. De wijze waarop vroege christenen naar het jodendom hebben gekeken, werd door Menno ten Brink beschreven als de wijze waarop een puberzoon zich tegen zijn moeder af kan zetten. Het is een kwalificatie die minder zwaar op de maag ligt dan vele anderen over hetzelfde onderwerp, een kwalificatie ook, die de nauwe banden tussen beide religies accentueert.

In de religieuze historiografie van René Girard is de belangrijkste tegenstelling die tussen het joods-christelijke onthullings-traject van de zondebok aan de ene kant en de archaïsche religies aan de andere kant. Maar het christendom vormt bij hem nog altijd een culminatiepunt van een manier van religieus denken die al vanaf de eerste bladzijden van het boek Genesis in gang wordt gezet. En inderdaad, Adam en Eva kwamen in de lezing ook weer voorbij.

Girards opvatting dat het christendom sluitstuk en voleindiging zou zijn van een oorspronkelijk joodse inspiratie heeft wellicht de toestroom van geïnteresseerde joodse denkers tot de mimetische theorie aanvankelijk geen goed gedaan. Dit verschil is echter in de loop der tijd naar de achtergrond geweken. Binnen de Girardkring is in het verleden ruimschoots aandacht besteed aan joodse thema’s, zoals de ‘yetser hara’ (de kwade aandrift die getransformeerd zou kunnen worden tot een goede aandrift, de 'yetser tov') en ook ‘yom kippoer’ (grote verzoendag). Andersom zijn er joodse denkers die de mimetische theorie tot centrum van hun denken hebben gemaakt.

En ook dat kwam in de lezing en de responsen allemaal voorbij: ‘yom kippoer’, de aandrift of de ‘yetser’, en ook de naam van een joods denker als Sandor Goodhart, het werd allemaal met name genoemd. En daar kunnen we dan, bij dit alles, de naam van de op 7 november overleden Britse rabbijn Jonathan Sacks aan toevoegen. Michael Elias vertelde dat hij Jonathan Sacks had leren kennen tijdens het lezen van Dignity of Difference (2002) en zich af had gevraagd waarom deze de mimetische theorie van Girard niet noemde. Maar in wat misschien Sacks bekendste boek is, Not in God’s Name uit 2015, zou de mimetische rivaliteit expliciet aan de orde komen en onder andere ingezet worden bij de exegese van het verhaal van Jakob en Esau.

Uit de wijze waarop Sacks het denken van Girard in zijn werk heeft opgenomen spreekt een grote welwillendheid jegens diens denkgoed. Toch deed Marcel Poorthuis er goed aan een aantal accentueringen te noemen die in Sacks adoptatie van de mimetische theorie de aandacht vragen. Zo benadrukt Sacks dat ook de agressor een slachtoffersrol kan aannemen, zoals nazi-Duitsland zichzelf begreep als slachtoffer van joodse complotten. Na een wat bredere visie op de antropologische functies van het offer te hebben gegeven – Girard heeft eigenlijk alleen maar aandacht voor de wijze waarop offers geweld kanaliseren – boog Poorthuis zich over de boeken Genesis en Leviticus. Het is in het 16de hoofdstuk van Leviticus, dat de zondebok zelve optreedt. De zondebok is niet zomaar een metafoor. De zondebok, dat is het dier waarop de vroege joodse gemeenschap haar schulden en overtredingen ritueel overdroeg.

Ook ging Poorthuis uitgebreid in op de zogenaamde 'Akedah', het verhaal in Genesis 22 dat begint met de opdracht aan Abraham zijn zoon te offeren. Het is een omstreden verhaal dat, zo benadrukte Poorthuis, je helemaal ten einde moet lezen. Het is bij dit verhaal dat hij een citaat van Sacks inlastte: 'Daarom onderwerpt God bij het begin van de joodse geschiedenis Abraham en Sara aan deze beproevingen. Het lange wachten, de niet vervulde hoop en het vastbinden, zodat zij en hun nakomelingen nooit kinderen als vanzelfsprekend zouden beschouwen. Ieder kind is een wonder. Door een ouder te zijn komen we dicht bij God. Leven scheppen door een daad van liefde. Zelfs vandaag de dag is dit een les die de wereld nog niet heeft geleerd. Omwille van de mensheid moet de wereld die les leren, want de tragedie is enorm en de tijd dringt.'

Menno ten Brink, die het eerste exemplaar van de vertaling van het Genesis-boek van Sacks in ontvangst mocht nemen, maande het publiek vooral veel Sacks te blijven lezen. Speciaal aanbevolen werd Sacks laatste boek, het dit jaar verschenen Morality: Restoring the Common Good in Divided Times. Jonathan Sacks is een auteur met een diepe bezorgdheid voor de noden van onze tijd. Hij is iemand die probeert het buiten werking stellen van de herinnering aan de grote geestelijke reserves van onze cultuur, of zoals ter Brink het noemde – het outsourcen van de geest – vanuit de joodse traditie te keren.

De twee vertalingen die bij uitgeverij Skandalon zijn verschenen, zijn: Genesis. Boek van het begin en Leviticus. Boek van het heilige. De lezing is georganiseerd door een samenwerkingsverband van uitgeverij Skandalon, Stichting Girard Studiekring en de Studium Generale van de Tilburg University