Nieuws & Agenda

Datum: Zaterdag 10 februari 2018
Plaats: Dominicuskerk, Spuistraat 12, Amsterdam
Tijd: aanvang: 10.15 (inloop vanaf 9.45u), afsluiting 16.00u - inclusief lunch.
Aanmelden: in verband met deelname aan de lunch is aanmelding van te voren noodzakelijk. U kunt zich aanmelden door een email te versturen naar Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken..

Onder de titel Hoe maakt de geschiedenis voortgang? hebben de Girardkring en Respondeo, vereniging rond het werk van Eugen Rosenstock-Huessy, een gemeenschappelijke bijeenkomst belegd, die ook publiekelijk toegankelijk is. Thema is de geschiedenisopvatting van beide denkers en de centrale plaats daarin van de evangeliën.

Beiden komen met een omvattende geschiedenisvisie, en beiden zijn zeer serieus over de bedreiging die van het geweld uitgaat voor de menselijke samenleving.

Opvallend is dat zij in de geschiedenis allebei drie belangrijke fasen onderscheiden: de oudheid, als het slachtoffermechanisme nog niet tot bewustzijn is gekomen. Het tijdperk van de kerk of de westerse geschiedenis, als de evangeliën het geweld benoemen en zo eigenlijk onmogelijk maken – zowel Girard als Rosenstock-Huessy zien dat als een tijdperk waarin het bewustzijn er wel is, in de literatuur, in de verkondiging van de kerk, maar de maatschappelijke praktijk wordt daar maar in beperkte mate door geraakt.      

Met de 20e eeuw breekt er een nieuw tijdperk aan: steeds meer worden wij gedwongen ons de ethiek van de Bergrede eigen te maken ter wille van onze eigen voortbestaan. Rosenstock-Huessy noemt dit de eindtijd, in die zin dat door de techniek de beslissing over heil en onheil in onze eigen handen ligt.

Girard en Rosenstock-Huessy gebruiken een verschillend jargon om aan deze visie uitdrukking te geven. Zo zou Rosenstock-Huessy spreken van openbaring van het gebod tot de liefde en niet van onthulling van het slachtoffermechanisme. En waar bij de cultuur benadert vanuit de taal, doet Girard dit vooral vanuit de literatuur. Maar beiden hebben een sociologie van de vrede op het oog en dat maakt een gesprek boeiend en veelbelovend.

Hoe komen wij het slachtoffermechanisme te boven? Brengt ons de geschiedenis op hoger moreel niveau? Is er zoiets als heilsgeschiedenis?

Aanmelden: in verband met deelname aan de lunch is aanmelding van te voren noodzakelijk

 

Onlangs, op 6 juli 2017, is André Lascaris overleden. We gedenken hem als een trouw bezoeker van de bijeenkomsten van de Girard Studiekring. Trouw als bezoeker, ondanks de wijze waarop de ziekte van Parkinson hem de laatste jaren het reizen en bezoeken moeilijk maakte. Trouw, ook, vooral, omdat de zaak van de mimetische theorie hem, al helemaal vanaf het ontstaan van de kring, bijna 35 jaar geleden, tot in zijn laatste bezoeken, was toegedaan. André Lascaris geldt als een van de founding fathers van de Nederlandse participatie in het verder verspreiden van het denkgoed van René Girard. Hij is daar door de jaren heen steeds over blijven publiceren.  Hij is steeds blijven geloven dat, ook binnen een geloof dat groter kan zijn dan de wetenschap, het van belang blijft de juiste intellectuele afslagen te maken. In het denken van Girard zag hij zo'n juiste afslag.


Wij zullen het nu zonder André moeten doen, we zullen hem missen. Voor uitgebreidere informatie over wat hij voor de Girard Studiekring heeft betekend, zie de toespraak die Thérèse Onderdenwijngaard namens de Girard Studiekring op de begrafenis van André Lascaris heeft uitgesproken.


Andere in memoriae van André Lascaris die we hier willen noemen zijn: het bericht op de website van de Dominicanen, het bericht dat thans staat op het adres van André’s eigen webcolumn “Meer dan ik zelf”, en het artikel van de hand van Tommy Wieringa, dat afgelopen 21 juli in het Algemeen Dagblad is verschenen.

KRINGBIJEENKOMST JANUARI 2017

De kringbijeenkomst van januari 2017 zal gewijd zijn aan een nabespreking van Willem-Jan Ottens Girardlezing. Deze zal plaatsvinden op 27 januari, van 14:00 - 16:00 in het Hoofdgebouw van de VU aan de Boelelaan, in lokaal HG-09A29. Deze bijeenkomst is voor iedereen vrij toegankelijk. Belangstellenden kunnen zich aanmelden met het sturen van een email naar Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken..

 

Verslag van de Girardlezing van Willem Jan Otten op 4 november 2016 in de Nieuwe Poort

Beginzucht: Girard, Lucifer, Petrus  

Klik hier voor de volledige tekst.

Precies een jaar na het verscheiden van René Girard stond Willem Jan Otten in de Nieuwe Poort in Amsterdam achter de kansel om de tweede Girardlezing ten beste te geven. Wanneer de lezing als een preek zou gaan klinken, beloofde hij, zou hij met zijn wijsvinger in de lucht schudden, waarop het publiek al dan niet kon besluiten de vingers in de oren te stoppen.

Gelukkig viel het mee met de ernstige vermaningen, ze bleven in ieder geval ver achter bij de talloze verwijzingen naar andere cultuurproducten. Veel kwam er voorbij binnen het tijdsbestek van een luttele 45 minuten. De documentaire Svyato van Victor Kossakovski over een tweejarige peuter die zichzelf voor het eerst in de spiegel ziet. De Nespresso reclame met in de hoofdrol George Clooney. Shakespeare natuurlijk. Een hersenkraker van Blaise Pascal. Een gedicht van Czesław Miłosz. Het minimal music stuk Proverb van Steve Reich waarin een regel van Wittgenstein eindeloos herhaald wordt.

Die regel van Wittgenstein is: “How small a thought it takes to fill a whole life”. Die ene gedachte waaraan Girard zijn hele leven heeft gewijd is natuurlijk de mimetische begeerte, het besef dat mensen niet uit zichzelf begeren, maar de begeerten van anderen imiteren. Een gedachte die Girard in eerste instantie ontleende aan wat hij “romaneske” literatuur noemde, een corpus met grootheden zoals Cervantez, Proust, Flaubert en Dostojevsky.

Wanneer Otten het expliciet over deze mimetische begeerte kreeg – resoneerden vaak donkere tonen. Hij noemt Girards inzicht ‘aanstekelijk en inspirerend en tegelijkertijd schandalig en deprimerend’ en spreekt van ‘het subiete verlangen om te ontsnappen aan zijn theorie’. Met de gedachte aan het besmettelijke kwaad van de mimetische begeerte overal om ons heen citeerde Otten een zinnetje van Gerda van de Haar uit haar artikel over Girard en Vondel Adam is gevallen – het goede is niet besmettelijk – en hoe dit steeds door zijn hoofd was blijven spoken.

Het waren onder andere deze donkere tonen waar coreferent Renée van Riessen (hoofddocent godsdienstfilosofie aan de Protestante Theologische Universiteit van Groningen en bijzonder hoogleraar christelijke filosofie aan de Universiteit van Leiden) op inhaakte. Zij vatte dit moeilijke thema bij de kop, en vroeg zich af of Ottens reflecties niet al te donker waren, maar toen de tweede coreferent Johan Koppenol (hoogleraar Nederlandse vroegmoderne letterkunde aan de Vrije Universiteit van Amsterdam) aan het woord kwam leek de stemming zover gedaald dat hij de plicht op zijn schouders voelde rusten de middag toch nog enigszins monter helpen af te sluiten.

Dat er naast de mimese van kwaad en rivaliteit zoiets bestaat als mimese van het goede, staat eigenlijk buiten kijf – ook zoiets als de ice bucket challenge kent een besmettelijke verspreidingsvorm en -tempo, net zoals een roddel of een rage. Maar de vraag is steeds (een discussie die al decennia lang woedt in mimetische gelederen): hoe verhoudt zich de mimese van het goede tot die van het kwaad? Is er symmetrie? Is er een soort omslagpunt denkbaar, waarin de neerwaartse spiraal omgebogen wordt in een andere richting? Of is het verhaal van de mimese toch asymmetrisch, en is het christelijke beeld van de wijde en de enge poort, of de brede en de smalle weg, hier van toepassing? Is de imitatio Christi, hoewel een uitweg – iets wat nooit zonder pijn en heel veel inspanning bereikt kan worden?

Bij deze fundamentele vragen werd Vondel niet uit het oog verloren. Johan Koppenol accentueerde het verschil tussen de drie delen van Vondels trilogie. Lucifer, waarin de mimetische begeerte vooraf al sterk gegeven is, Adam in ballingschap (met als ondertitel treurspel der treurspelen) waarin aanvankelijk onschuldige wezens tot de mimetische begeerte worden verleid. En Noah, een wereld waarin goed en kwaad naast elkaar bestaan en de mogelijkheid van genade voortdurend aanwezig is. Renée van Riessen memoreerde in dat verband het kerstlied O Kersnacht, schooner dan de daegen – een lied dat, opgenomen in het Liedboek voor de Kerken, vooral bekend zal zijn bij mensen met een protestante achtergrond.

Willem Jan Otten had in zijn lezing al aangegeven dat er in Nederland een beschamend gebrek aan belangstelling bestaat voor Joost van den Vondel: “Dat Adam in Ballingschap niet om de vijf jaar gespeeld wordt in de hangar waar thans Soldaat van Oranje te zien is (liefst voorafgegaan door Lucifer – het moet mogelijk zijn om beide stukken op één avond te spelen; nog mooier zou het zijn om de voorstelling te besluiten met Noah – het verhaal waarin een mens God, die het terdege gehad heeft met de mensheid, tracht te vermurwen, ondanks de mimetische crisis die om hem heen zijn kookpunt heeft bereikt) – is een teken des tijds dat hoog op zou moeten worden genomen door de Europese Unie. Zo niet, dan Nexit.”

Maar  pure winst van deze inspirerende middag is, dat het oeuvre van onze grootste schrijver naast Shakespeare en Dostojevsky in de eregalerij van de Girardiaans-inspirerende – van de “romaneske” literatuur – mocht worden bijgezet.

 

 

 

 


 

In de inleiding van zijn boek ‘A Theatre of Envy’ (Nederlandse vertaling: Het schouwspel van de afgunst) schrijft René Girard dat zijn werk over Shakespeare (1992) onverbrekelijk verbonden is met alles wat hij ooit geschreven heeft. Het is een interpretatie van belangrijke werken van Shakespeare met behulp van de mimetische theorie, of liever gezegd, het is een interpretatie van deze werken van Shakespeare en een introductie tot de mimetische theorie ineen. En wel op zo’n manier dat het plezier ervan af spat.

Deze zomer verzorgen Els Launspach en Thérèse Onderdenwijngaard een zomercursus aan de Internationale School voor Wijsbegeerte (ISVW) in Leusden, waarin Shakespaere en de mimetische theorie van René Girard centraal staan.

Of je nu bekend bent met het werk van Shakespeare of onbekend, Shakespeare door de ogen van Girard is genieten van theater, is een reis langs eigen herinneringen en ervaringen (true love), en een blik op de wereld waarin we leven (crisis of degree). Vrolijkheid en tragiek, ernst en humor, fictie en werkelijkheid, schepping en schepper.. dit alles komt langs in de zomercursus.

Drie stukken staan centraal: Midzomernachtdroom, Julius Caesar en Hamlet. We ondergaan door te kijken, we staan stil door cruciale scènes te lezen, en we interpreteren dit alles door ervaringen hiermee te delen en te bespreken.

Data: 31 juli – 4 augustus 2017

Voor verdere informatie, klik hier

Beginzucht: Girard, Lucifer, Petrus – zo is de uiteindelijke titel van de Girardlezing die Willem Jan Otten op 4 november in de Nieuwe Poort in Amsterdam zal geven. Diverse andere “zuchten” zullen in zijn lezing voorbij komen, zoals bij Joost van den Vondel de “snoepzucht” en de “staatzucht”. “Beginzucht” is het zoeken naar oer-ensceneringen die Willem Jan Otten zegt te delen met René Girard. Het Kwaad, de menselijke conditie, de buiten-paradijselijke staat –in wat voor scène is het allemaal begonnen?

 

Als ik Willem Jan Otten te spreken krijg over de aanstaande lezing, voel ik enige gêne bij het stellen van de obligate vraag, waarop het antwoord me desalniettemin altijd blijft intrigeren: Hoe bent u met het werk van René Girard in aanraking gekomen?

Eigenlijk helemaal via de praktijk. In 1988 gaf ik in Groningen een werkgroep voor toneelschrijvers, en een van de studenten attendeerde me op De romantische leugen en de romaneske waarheid. Later, het moet 1994 geweest zijn, zag ik Girard vernoemd in Het rijk der schaarste van Hans Achterhuis. Ik ben toen het werk van Girard serieus gaan lezen. Naast De romantische leugen en de romaneske waarheid heb ik ook zijn boek De zondebok in een vroegtijdig stadium tot me genomen.

In uw lezing over Vondel zult u aangeven dat Girards grote Shakespeare-studie, in het Nederlands vertaald als “Het schouwspel van de afgunst”, grote indruk op u heeft gemaakt. Vondel en Shakespeare, zijn dat vergelijkbare grootheden?

Ja, tot op zekere hoogte wel. Vondel bestrijkt, samen met Shakespeare in Engeland en Racine in Frankrijk, een heel domein. Vondel vult hen aan of benadert dezelfde problematiek vanuit weer een ander perspectief. Maar wat niet vergeten moet worden is dat de stukken van Shakespeare en Racine mochten landen in een wereld met een lange toneeltraditie en een heuse toneelpraktijk. En daar als toneel tot hun recht konden komen. De stukken van Vondel kwamen aan in een ander land, in een domineescultuur, in een meer juridische cultuur. De toneelstukken van Vondel waren vooral leesstukken, in plaats van drama’s die, zoals in het theater The Globe van Shakespeare in Londen onmiddellijk opgevoerd zouden worden.

Over de mimetische problematiek valt zeker een grotere Vondel-studie te schrijven. Wat dat betreft ligt er een uitdaging aan, en een uitnodiging voor, de Neerlandistiek. In Lucifer (of in de complete trilogie met Adam in ballingschap en Noah erbij) zijn de Girardiaanse thema’s heel aanwijsbaar. Bovendien heeft Vondel ook uitgebreid geschreven over het Bijbelverhaal van Jozef, waarin een vergelijkbare thematiek te vinden is.

De slothoofdstukken van Girards De romantische leugen en de romaneske waarheid ademen iets grimmigs uit. Ze reflecteren het intellectuele klimaat met name in Frankrijk uit de jaren 50, waarin het “existentialisme” heerst en waarin romans, toneel en film alleen maar lijken te willen weergeven hoe verdorven en hopeloos de menselijke situatie is. Mag ik uit uw essays over bijvoorbeeld hedendaagse films de indruk opmaken dat het klimaat heden ten dage verbeterd is?

Ik weet niet of dat zo is, en ik ben ook niet zo geneigd langs dergelijke lijnen te denken. Ja, misschien als je kijkt naar het werk van Ingmar Bergmann, dan zie je in zijn latere films ook die somberheid, tot hij dan met zijn laatste film Fanny & Alexander (een overschatte film overigens) weer terugkeert tot iets minder bedrukts, iets religieus misschien.

Voor mezelf geldt vooral dat ik in de loop van de jaren 80 mijn aandacht heb verlegd van toneel naar film. En daarmee, tot mijn opluchting, zag, dat er een hele dramaturgische wereld was waarin mensen verhalen willen vertellen. Allerlei plotlijnen die je al vindt in Ovidius of de Odyssee, keren in de film terug. Allerlei mythologische verhalen – hoewel het een ietwat onhandig woord is in de context van de theorie van René Girard – worden serieus genomen. Hollywood is niet zo bang voor religie of religieuze verhalen. En, het verhalen willen vertellen, het ensceneren is juist ook wat zo schrikbarend afwezig is in zogenaamde “existentialistische” toneelwerken, zoals die van Samuel Beckett. Film is voor mij een rol gaan vervullen die toneel nooit op die manier had kunnen doen.

 

*******

 

Dan, als ik hem heb bedankt en mijn mobiele telefoon al bijna op de spreekwoordelijke haak heb gelegd, steekt de beginzucht van Willem Jan Otten plotseling, als een stevige avondbries, nog even heel sterk op:

“Wat ik me nog duidelijk kan herinneren is het moment waarop ik Girards analyse van de slothoofdstukken van Dostojevski’s Misdaad en Straf las. Wat Girard zei was dat je die slotscène, die bekering – serieus moest nemen. Daarin vind ik Girard moedig, ja, zelfs, ridderlijk. Zelf had ik Misdaad en Straf altijd al bewonderd – ik houd van Dostojevski – maar ik was ook altijd meegegaan met de gedachte dat de bekering van Raskalnikov een soort obligaat Russisch-orthodox erfstuk was. Girard heeft me de gedachte bijgebracht dat je die bekeringen in Dostojevski heel serieus moet nemen. Hij heeft dat gedaan – en dat is wat ik in de essayistiek van Girard bewonder – als een ridder tegen een hele interpretatiegeschiedenis in, fier en met opgeheven vizier.”

 Voor meer informatie over de Girardlezing, kijk hier.