De mimetische theorie is een denkwereld waaraan ik me heb overgegeven. Ooit was ik op zoek naar een adequate uitdrukking voor een verschijnsel dat te maken had met status, prestige, rivaliteit, kuddegedrag, trots of ijdelheid – iets dat essentieel is in het intermenselijke verkeer, en iets dat tegelijkertijd in veel vormen van filosofische of wetenschappelijke reflectie lijkt te ontbreken. Ook was ik op zoek naar een intellectuele inbedding voor mijn christelijke geloof. Aanvankelijk zocht ik deze in de transpersoonlijke psychologie, maar gaandeweg werd me duidelijk dat de mimetische theorie deze functie veel beter kan vervullen dan psychologen als Jung, Assagioli of Maslow.

Het is niet zo dat ik de mimetische theorie onmiddellijk heb omhelsd als het perfecte antwoord op al mijn vragen. Ik zie het werk van René Girard als pionierswerk waarop nog talloze aanvullingen en nuances mogelijk zijn. Maar wel was al vrij snel duidelijk dat dit een theorie was waar ik werkelijk mee verder kon. Het netto effect van kiezen voor de mimetische theorie is voor mij dat het woord “mimetisch” onderdeel is geworden van mijn alledaagse taalgebruik. Met name onder andere geïnteresseerden in het werk van Girard lijkt het alsof dit woord met haar enorme zeggingskracht er in de Nederlandse taal van alledag altijd al geweest is.

René Girard speelt een prominente rol in mijn boek De overtocht: Filosofische blik op een psychose in maart 2021 bij uitgeverij Lontano is verschenen. Andere belangrijke denkers in dat boek zijn Jacques Derrida en Martin Heidegger. In De overtocht onderzoek ik de relatie tussen bekeringservaringen en psychoses. Alhoewel Girard meer geïnteresseerd is in intermenselijk geweld dan in de psychopathologie, blijkt zijn theorie heel geschikt voor het inzichtelijk maken van ongewone belevingen die psychoses en bekeringservaringen kunnen oproepen.